Laatste reacties

  • Dondersteen Het is leuk gevonden maar ik
  • ton Daar gaat je eerste ijsje va
  • jan Dit komt mij voor als de zwa
  • Wieneke Is dit nou het zgn. ijzerhou
  • Jan K. Dat zal ongetwijfeld tranen
  • Jetske Onze kinderen kwamen uit sch
  • Michiel Puur zelfbehoud dat de eigen
  • Mark Mooi verhaal!
  • Martin Hemelsblauw. Prachtig! Nu ie
  • Dondersteen Oeps.
Neem inhoud van deze site over (XML)

« maart 2009 | Hoofdmenu | mei 2009 »

donderdag 30 april 2009

RONDJE NOORD-OOST FRIESLAND

Ze hebben er nog een bovengrondse electriciteitsleiding. Bokpaal op het Buitenveld, ten noorden van Veenwouden:

20090430_009

Hagedoornen heggen, die zie je ook niet zoveel meer. Ze zijn ook moeilijk goed te houden. Dat blijkt ook wel uit deze in Munein of Moleneind:

20090430_018

Waar Oenkerk sterk in is:

20090430_030

Ik was om kwart over twee bij die kerk. diverse mensen in de omgeving hadden de vlaggen halfstok gehangen, maar bij de kerk was dat niet zo, en je zag het ook helemaal niet in de andere dorpen.

Romantisch wandelbergje bij de Stania-state:

20090430_042

Kerkmuur Oudkerk:

20090430_064

Bij een dakdekker aan de Sminiaweg achter Oudkerk: uileborden. Ze zijn allemaal verschillend, let maar op de makelaars (verticale elementen):

20090430_072

Kerkmuur Rinsumugaast:

20090430_089

Nooit eerder gezien: scholeksters op een dak. Damwoude had de primeur:

20090430_102

De route

woensdag 29 april 2009

MEDALLIE VEUR HENK

20090429_001

Henk Scholte is gaat vanaf vandaag door het leven als Ridder in de orde van Oranje Nassau. Uit het gemeentelijke persbericht:

"De heer Henk Scholte is een bekend figuur in de Groninger cultuurwereld en heeft met zijn inzet een belangrijke bijdrage geleverd aan het cultureel erfgoed van Groningen. Zijn werk wordt lokaal en regionaal zeer gewaardeerd. Gesteld kan worden dat zijn inzet voor het behoud van het talige cultuurgoed van bijzondere waarde voor de Groninger samenleving zijn. Hij is sinds 1975 zanger van de veelgeprezen Groningse folkgroep Törf en onder zijn bezielende aanvoering voert Törf het publiek mee op een reis vol verrassende wendingen met als uitgangspunt de Groninger traditie waarvoor Törf zich hardmaakt. In 1997 ontving Törf voor haar culturele werk de K. ter Laan prijs van Stichting ’t Grunneger Bouk.

Daarnaast is hij sinds 2000 presentator van het radioprogramma 'Twij deuntjes veur ain cent' van RTV Noord. Zijn korte beschouwingen tussen de afzonderlijke nummers in zijn radioprogramma, maar ook de streekverhalen die hij vertelt tijdens optredens met de band maken indruk op het publiek. Decorandus is behalve op de voorgrond, zeker net zo vaak op de achtergrond aanwezig als stimulator, promotor en organisator van onder meer de jaarlijkse Dag van de Groninger Geschiedenis in samenwerking met Het Huis van de Groninger cultuur, de Groninger Archieven en de Vereniging Stad en Lande. Hij schrijft Groningse gedichten en gebruikte ook het pseudoniem Ebbert Venema Gzn. voor zijn uitgaven."

Zie ook rtv Noord

dinsdag 28 april 2009

NEDERLAND VERPRUIMDE 500 TON TABAK PER JAAR

Eind 1968 vroeg Stadjer zich af of er nog "fiks" gepruimd werd. Hij gaf zelf het bevestigende antwoord.

Dat deed hij aan de hand van cijfers, die iemand van Niemeyer hem verschafte. Het bleek dat er per jaar in Nederland nog zo'n 500 ton tabak werd verpruimd:

"Dat zijn tien miljoen pakjes per jaar. Da's ongeveer één pakje per Nederlander en dan hou je nog zo'n twee miljoen vaderlanders over om de kwispedoren te legen."

Maar de groep werkelijke gebruikers was "betrekkelijk klein", en werd allengs kleiner:

"Dat ligt aan de sluiting van de mijnen. Even moeilijk, Maar in die mijnen werd er vroeger driftig tegenaan gepruimd, omdat je er niet mocht roken."

Anno 1968 waren het volgens Stadjer "vooral veel boeren" die nog pruimden:

"Is goed voor de akker, en je lucifers kunnen niet uitwaaien in het vlakke land. Maar ook die groep pruimers wordt kleiner. Het is op de meeste veemarkten nog wel even uitkijken. Maar in het astronomische jaar tweeduizend is de pruimer waarschijnlijk een schuwe zonderling, vrij te bezichtigen."

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 14 december 1968

maandag 27 april 2009

JUBILEUM-UITGAVE

Jubileumuitgave

Dit bijgesneden, stevige kalenderblad kwam met enkele reproducties van Johan Dijkstra tevoorschijn uit een lijst bij mijn moeder. Het hele pakketje moest een schilderij verstevigen. Blijkbaar las mijn grootvader in 1938 al het Nieuwsblad van het Noorden, dat toen vijftig jaar bestond. De tekening op het kalenderblad is een archaïserende prent van de Ossemarkt door Anco Wigboldus.

BOER KOEKOEK EN BEERTA

Boer_koekkoek_en_beerta_2

Uit De Nieuwe Holevoet dd 17 mei 1966. Als Koekoek nou gezegd had: "Vlakbij Denemarken", dan had hij nog gelijk gehad ook.

zondag 26 april 2009

GROENENDE GORECHTER BOMEN

20090426_014

20090426_052

20090426_071

20090426_075

20090426_088_lll

20090426_093

20090426_095

20090426_114

SOLEXCLUB

Redelijk hallucinant. Ben je rustig een gans aan het kieken, op een verlaten landweggetje ergens tussen Midwolde en Leek, komt er opeens een horde Solexen voorbijsnorren:

20090425_148

20090425_149

20090425_151

20090425_154

VLIEGERFOTO'S OOSTERSLUIS

KAPturer liet zijn fotovlieger boven de Oostersluis hangen: slideshow

zaterdag 25 april 2009

DIJKSTREEK

Ik zou dus nog naar de Dijkstreek, naar die boerderij van mijn overgrootouders Kroeze, via dit kronkelweggetje:

20090425_027

Geit in de voorhof. De pinksterbloemen bloeien al volop:

20090425_030

Het asfalt gaat over in steenslag, in de verte het arbeidershuisje waar mijn achterneef het al over had:

20090425_034

Rijk belommerd hekje:

20090425_036

Daar is ze dan:

20090425_039

De schuurdeur staat open en er staat een wagen geparkeerd, maar schreeuwen van volluk en hallo helpt niet, niemand vertoont zich. Daarom eerst maar even dat landweggetje in, opzij van het huis. Verderop een vogelkijkhut:

20090425_052

De voorkant van de boerderij:

20090425_056

Knotwilg op de grachtwal:

20090425_057

Voormalige varkensschuur:

20090425_060

Ook de tweede keer reageerde niemand op mijn roepen. Ik besloot terug te gaan, zag bij het arbeidershuisje een vrouw in de tuin en vroeg haar naar de naam van de eigenaar van de boerderij waar mijn overgrootouders ooit woonden, opdat ik die later zou kunnen bellen. Ze zei dat de eigenaar wel thuis was en belde hem voor mij. Het bleek iemand die ik al kende uit het ruimtelijke ordeningscircuit van de stad. Hij leidde me rond door het pand. Bijvoorbeeld langs de gebinten in de schuur:

20090425_068

Een primitief gedenksteentje naast de voordeur: Wed. J.A. 1924. Toen woonden mijn overgrootouders er blijkbaar nog niet:

20090425_070

Oelenbret, door de huidige eigenaar aangebracht:

20090425_071

Uitzicht vanuit de voorkamer. Volgens de eigenaar heette het hier vroeger de Osseweide, een toponiem dat volgens mij wijst op vetweiderij:

20090425_076

Langs de kronkelweg terug. In de verte de molen en de toren van Enumatil:

20090425_088

Het zicht op de boerderij vanaf de Pasop:

20090425_094

Koeien is nieuwsgierig spul:

20090425_118

vrijdag 24 april 2009

ARCADE DICHT OF NIET?

20081018_049

Zara, de kledingwinkelketen, heeft haar oog laten vallen op de Faun. En diende een bouwplan in waarbij de arcade aan de Herestraat dichtgemaakt wordt met glas.

Heemschut is tegen. Volgens de bond "vormt de arcade als het ware een toegangspoort naar de Herestraat". Als je die dichtmaakt, gaat de "hele, beeldende vormgeving" van het gebouw naar de barrebiesjes en "wordt de gevel plat". Daarom tekende Heemschut bezwaar aan tegen de verleende bouwvergunning. Aldus het DvhN eerder deze week.

Zelf twijfel ik een beetje. Wat vinden jullie, moet die arcade dicht of niet?

Arcade_van_boven

CAMPIONE

Beker

Mijn allereerste beker ever.

Ik won natuurlijk wel eens vaker wat. Een medaille voor het uitlopen van de 10 kilometer lange Dwingeler krentenbloesemwandeltocht, een voetbal van de Donald Duck, een kaartje voor de Europacupwedstrijd Ajax - Celtic (3-0) en de gouden koffieboon van Douwe Egberts, maar dit is toch mijn allermooiste prijs ooit.

In het papieren DvhN staat dat ons team antwoord wist op een "schier onmogelijke vragen als de geboortedatum van professor van Giffen". Gelieve dit zo te interpreteren: die geboortedatum kennen we heus niet uit ons hoofd, maar als de datum en de plaats Noordhorn worden genoemd, dan associëren we die twee gegevens als enigszins belezen archeologieliefhebbers onmiddellijk met de man die de Nobelprijs voor de archeologie had verdiend, zo die prijs had bestaan.

donderdag 23 april 2009

BUITEN BEDRIJF

Mark Sekuur maakte een serie foto's van de stilgelegde suikerfabriek in Groningen. Hier is de slideshow.

woensdag 22 april 2009

DE IMMER ONVOLTOOIDE OORLOG

Gister werd bij Staphorst, in een ondiep graf onder een bult kuilvoer het gebeente aangetroffen van de Rotterdamse onderduiker Pieter Hoppen. Eind juli 1943 was hij ter plaatse geliquideerd.

Een stokoude verzetsman kreeg berouw. Bij onderzoek bleek hem onlangs dat Hoppen totaal onschuldig was. De man wees alsnog de plek van het graf aan.

Het uit Rotterdam afkomstige slachtoffer wilde eigenlijk in Friesland onderduiken, had in Steenwijk geen onderdak kunnen vinden en reisde daarom door naar Meppel. Het gewapend verzet daar dacht met een verrader en provocateur van doen te hebben. Twee man namen hem mee naar Staphorst en maakten hem daar van kant.

In het boek 'Recht op wraak, liquidaties in Nederland 1940 - 1945' dat deze maand verscheen, is de naam Pieter Hoppen te vinden in het hoofdstuk over lastige en gevaarlijke onderduikers:

"Vermoedelijk is hij door het verzet geliquideerd. (...) Geen aanwijsbaar graf."

Dat mogen de auteurs dan in hun volgende, derde druk verbeteren. Denken ze het definitieve overzicht te hebben geleverd, gebeurt er zoiets.

dinsdag 21 april 2009

REE VERWEKT LAMMETJES

Ree_verwekt_lammeren_in_havelte_196

(De nieuwe Holevoet 26.4.1966)

maandag 20 april 2009

FRANS KROEZE EN ANTJE VAN DER LET

Kerk_van_aldtsjerk_oudkerk

Mijn Feerwerder achterneef vertelde me gister dat Frans Kroeze en Antje van der Let, zijn grootouders, tevens mijn overgrootouders, in 1929 en 1936 begraven zijn in de plaats waar ze vandaan kwamen: Aldtsjerk (Oudkerk) in Friesland. Vanaf de Dijkstreek onder Enumatil, waar ze woonden, ging er een bus naar de Friese plaats met mensen die de begrafenis bij wilden wonen.

Bij Graftombe.nl blijken ze inderdaad foto's van de graven te hebben. Deze staan vlakbij het koor van de kerk. Op Wikipedia vind ik bovenstaande foto van de kerk, die de positie van de grafstenen goed weergeeft. Aldtsjerk was nota bene een van de eerste plaatsen waarvan de plaatsnaam verfriest werd.

Mijn overgrootouders trokken langzamerhand vanuit Friesland oostwaarts. Eerder boerden ze op een huurboerderij op het Oosterzand, vlakbij Grijpskerk. Een streekje waar ik de laatste jaren regelmatig langs ben gekomen en dat me zwaar bekoorde. Later zaten ze in Lutjegast en nog weer later op de Dijkstreek, in een boerderij die het eigendom van een familie Kazemier uit Leek of Tolbert was. Die boerderij is volgens mijn achterneef tegenwoordig van het Gronings Landschap. Ze ligt helemaal aan het eind van de ouwe kronkelweg. Op satellietopnamen zie je inderdaad nogal wat marginale grond in de omgeving. Binnenkort er maar eens heen.

zondag 19 april 2009

OMMETJE FEERWERD

Postpaasarcadia_1

Postpaasarcadia_2

Postpaasarcadia_3

Postpaasarcadia_4

Postpaasarcadia_5

Postpaasarcadia_6

Postpaasarcadia_7

Postpaasarcadia_8

"DE TECHNIEK HEFT ALLEMOAL BRACHT"

Appe Kruut (1893) vertelt in 1972 over innovaties in Valthe:

  • De eerste fietsen - de peerden sloegen er nog van op hol.
  • De eerste stoomfiets - we hadden nooit zoiets gezien.
  • De eerste auto - de straat stond zwart van de mensen.
  • De eerste dorsmachine - ach miejonge miejonge

KEES IN ACTIE

UK-cartoonist Kees Willemen is bezig aan zijn Nachtwacht in de UB. Bibliothecaris Michiel Thomas portretteerde hem. Slideshow.

BUURVROUW WILDERS VAN REPLIEK DIEND

Oarig wichie döt een gedicht over asielzuker in de buurt. Wel een bedie jammer dat die Jan Germs ook de hiele tied in beeld mut bliev'm.

Via Niklas

zaterdag 18 april 2009

"GEEVET MILDE TOE DEZE..."

Rode_weeshuispoort

De Rode Weeshuispoort in het strijklicht van hedenmiddag 17.00 uur.

De poort dateert uit 1627 en is een geschenk van de raadsgilden, uit dankbaarheid dat ze in het achterliggende weeshuis hun vergaderingen mochten houden. Dat deden ze in het reventer, oftewel de refter (eetzaal) van het voormalige klooster dat hier stond. Want voordat het complex in 1599 toegewezen werd aan de burgerwezen, zaten er begijnen, die volgens een Franciscaanse kloosterregel leefden en naar wie de straat eertijds Geestelijke Maagdenstraat heette.

De gilden droegen de wezen een goed hart te. "Geevet milde toe deze, het is de haerbaerg der arme Borgerweese", zo houdt hun poort de voorbijgangers voor. Waarbij arm niet zozeer dient te worden verstaan als noodruftig, maar als onbeschermd, conform de middeleeuwse betekenis van de term.

Bron: Paul Holthuis - Roode Wezen in Goningen, pag. 45 - 48

vrijdag 17 april 2009

GESTOORDE GODSDIENST IN ZUIDWOLDE

In Zuidwolde (Groningen) waren er na de Afscheiding en de Doleantie altijd meer gereformeerden dan hervormden, en eigenlijk kan je dat midden achttiende eeuw al aan zien komen.

De oorspronkelijk uit Zwolle afkomstige, via het eilandje Nesserland gekomen dominee Jonas Gronouw (1701 - 1760), van 1735 tot zijn dood predikant van Zuidwolde, nam bijvoorbeeld nauwelijks lidmaten aan. Er heerste een enorme avondmaalsschroom. In totaal deden maar acht mensen belijdenis bij Gronouw, waarvan zeven in zijn laatste vijf jaar.

De totale aanwas aan belijdenissen en attestaties, die van 1720 tot 1725 nog 14 mensen omvatte, liep onder Gronouw terug tot gemiddeld minder dan eenderde per periode van vijf jaar. Op zich hoeft dit niets over de kleur van de predikant te zeggen - dit gebeurde ook in gemeenten met meer verlichte voorgangers - maar dat er in Zuidwolde een zware broeder op de kansel stond, blijkt wel uit zijn kerkeraadsprothocol, dat op dezelfde webpagina staat als de lidmatenadministratie.

Zo weerden Gronouw en zijn kerkeraad vanaf 1737 Cornelis Derks en vrouw te Beijum van het Avondmaal. Ze zouden van hem en de kerkeraad hebben gezegd dat "maar zijn dieven en moordenaars, die niet door de regte deur zijn ingekomen..." Naar analogie van een usance in het civiele recht, legde de kerkeraad het Beijumer echtpaar op "dat zij dese en dergelijke lasteringen of bewijzen moeten, of zig des te verootmoedigen en schuld belijden". Hun laster werd beschouwd als "veragtinge gods", die "tweedragt in de kerklijke regering" zaaide. In 1739 haalden Cornelis en vrouw bakzeil, door toe te geven dat ze de predikant en de kerkeraadsleden "grouwelijk met hare laster tongen uit nijt en wraakzugt mishandelt hadden". Ze toonden berouw, zochten verzoening, en beloofden beterschap. Daarom werden ze "met toewensing der verzoenende en hertveranderende genadens weder tot het gebruik van s H. Avondmaal toegelaten."

Tussen 1738 en 1740 was het de afgaande boekhoudende diaken Jan Derks, die in ongenade viel. Dominee betichtte hem van "grouwelijke en onreine handelingen met zijn dienstmaagt". Ook Jan toonde in eerste instantie geen "genoegzame verootmoeding". Daarom ontzegde de kerkeraad onder Gronouws' leiding hem het Avondmaal tot hij inkeer zou tonen. Toen hij onder het juk doorging, gebeurde dat met "smert, schaamt en berou",

"...gepaart met een voornemen in des heren Ligt en kragt om voor het toekomende zig te wagten tegen zulk of dergelijke buitensporigheden. Ja wenst van harten aller zonden vijand te zijn en Lust tot alle geregtigheid te tonen..."

Uiteraard nam de kerkeraad onder leiding van Gronouw hem weer aan, uitdrukkelijk unaniem zelfs, "met toewensing van versoenende Heiligende en verzegelende genadens".

Die taal is typisch orthodox-bevindelijk. dat was ook weer zo in de zaak van de oude schoolmeester Evert Pieters aan het Maar. Bij een huisbezoek in 1739 sprak dominee hem aan op de "innerlijke en uitterlijke oefening der Godzaligheid". Blijkbaar mankeerde daar iets aan. De meester reageerde met "veel bitterheid en boosheid", ja zelfs op "spotagtigen wijze". Na zijn schorsing van het Avondmaal - "met toewensing van ware boetveerdigheid" - bond hij snel in, "onder inwagten van des Heren genade". Gronouw en de kerkeraad lieten hèm weer toe met een wens van "wezentlijke versoening en waragtige bekering".

Het meest spraakmakende zaakje staat echter niet in het kerkeraadsprothocol, maar is te vinden in de Acta van de Aacademische Senaat. In het najaar van 1743 klaagde de kerkeraad van Zuidwolde bij Gedeputeerde Staten...

"...dat eenige studenten. insonderheid de studiosis Haringcarspel haar onderstaan op verscheide maalen te Suidwolde in de Kerk te koomen en met alle onordentelijkheid onder het prediken veele ongeregeltheden ye plegen, waardoor de Godsdienst wierde gestoort."

GS, de materiële voogden der Academie, verzochten de rector om de Senaat bijeen te roepen voor een onderzoek naar de zaak en bestraffing van de schuldigen. Inderdaad gaf de Senaat gehoor aan deze wens. Het bleek te gaan om gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden op 1 september en 6 oktober.

Op 1 september was Haringcarspel samen met drie andere studenten in Zuidwolde geweest. Ze gingen zitten in de kerkbanken,

"...ieder apart, sonder iets te seggen of eenige gebeerden te maaken. Dat de predikant, na den text voorgelesen te hebben, dezen wensch dede, dat de Here met zijn ligt en waarheid zig ontdekken mogt in het midden der vergadering, in het besonder aan de herten van die vier spotagtige, huichelse en niewschierige tafelbroeders, die hier gekomen zijn om met God, zijn woord, en knecht te spotten. Waarop hij Haringcarspel en van der Spuij heeft aangekeeken, en dese hem toeknikte dog sonder lachen. De Predikant seide: Mijn Heer lacht gij om mij, koomt gij lieden hier om mij uijt te lachen? Van der Spuij antwoorde: Wij zijn niet gekomen om met mijn Heer te lachen of te spotten, dat sij verre van ons. Haringcarspel seide: Mijn Heer heeft immers niet gesien dat wij gelacht hebben? De pastor seide, Hij had wel gesien, dat gekomen waaren om die reden. Haringcarspel weder dat niet gekomen waaren om die reden, maar om op den dankdag de predicatie te hooren. De predikant ging voort in het prediken en in de toepassing heeft hen vier met veel scheltwoorden en bedreigingen door gestreeken, geweldig afgevende tegen de opgeblasen Academi kennis. De heer pastor na geëindigde predikatie op kerkhof gevraagt van Van der Spuij, waarom hen lieden voor de gemeinte soo smadelijk gehandelt had, antwoorde de pastor, hij had daarvan geen rede te geven, dat wel wist wat met sulke te doen had, onder scheltwoorden ook dat van Flegels gebruijkende."

Op 6 oktober was Haringcarspel opnieuw naar Zuidwolde getrokken, nu met zeven mede-studenten. Twee anderen kwamen hen nog na, maar hoorden niet bij de groep:

"Dat ordentelijk gesamentlijk waaren gaan sitten, dat de predikant stilhield en hen lieden vergramt aansag, wetende sij lieden geen andere reden, als dat van elkander een snuijfje namen, hun sweet door het gaan afdroogden, en één uyt hun snieste. Waarop dan [de predikant] zig van hun af en na de ouderlingen wendende, die aan het ander ainde der kerk saten, die aansprak, versoekende de Kerkenraadt te beleggen om die nieuwsgierige spotters die altijdt quamen om te spotten, want seide verder, dan snuijfense, dan proestense, dan sittense met de neusdoek in de handen, dan guichelense en lachen om mij. Waarop zig tot hen lieden kerende regt uijtliet in veele schelt- en bedreigingswoorden, schimpende veel op de letter en Academi kennis, waerop zij onbekeerde letterknechten soo trotz en opgeblasen waren. Waarop de studiosis Hulten seide geene redenen te weten, waarom hij hun lieden soodanig behandelde. Indien er iets gepasseerd was, zijn Eerwaarde sulks liever aan het eerwaarde classis of den Senatus Academicus sou bekent maaken, als hen lieden op sulke onbetaamelijke manier te behandelen. De predikant hen lieden toen weder met den naam van onbekeerde tafelbroeders aanspreekende. vroeg of uijt de Kerk wilden gaan. Dat eenige studenten deden, dog hij Haringcarspel met eenige andere daar toe geen rede siende, waarom hen de kerk sou worden verboden, bleven stil sitten. Dog seide ten derden maal soo sij er niet wilden uijtgaan, sou hij er uijtgaan, den hoed nemende en de deur van den predikstoel openende. Hij Haringcarspel oordelende dat het beter was, dat zij lieden uijt de Kerk gingen, als dat de Godsdienst sou ophouden, seide: Mijn Heer gelieve te blijven. wij sullen liever uijtgaan, maar het is droevig dat men studenten en sommige wel leden der kerk de godsdienst verbied. Daarop bleef de predikant, Na dat waren uijtgegaan heeft weder lustig op hen gescholden als voorheen, gelijk gerapporteerd is van twee studenten die na hun binnen quamen (...) Ook heeft hij hem Haringcarspel op Kerkhoff gescholden lange Fielt, Flegel etc. ten aanwesen van verscheiden."

Volgens andere studenten had Gronouw ze uitgescholden voor "schorken, schavauten" en "kinderen des duijvels". Eén herinnerde zich dat de predikant na zijn preek aan de ouderlingen vroeg "of niet de studenten allarm hadden gemaakt. Desen seiden van ja"". Gronouw had tegen Haringcarspel opgemerkt:

"Gij komt maer uijt nieuwsgierigheid". Waarop hij Haringcarspel antwoorde: Zacheus quam ook uijt nieuwsgierigheid. Waarop de pastor: Gij, zijt gij een Zacheus gij lange Flegel, ik sal u wel krijgen, gij zijt gekkent."

Op basis van de klacht van de kerkeraad en de verhoren van de studenten kwam de Senaat tot de conclusie "dat er aan weer zijden schuld was". De Rector vermaande alle studenten die naar Zuidwolde waren geweest, waarbij hij onderscheid maakte tussen de aanvoerders en de meelopers. Voortaan moesten de studenten zich "absenteeren van de Kerk van Suidwolde, opdat de Hr. Pastor of de gemeinte geen aanstoor gegeven worde.."

Wel kreeg ds. Gronouw de kans om zijn grieven alsnog persoonlijk toe te lichten voor de Senaat. Hij kwam, maar gaf weinig details, behalve dan dat de studenten giechelden en lachten. Zelf had hij niet eens gemerkt dat ze dat onder het gebed deden, dat had hij van horen zeggen. Hij stelde zich zelfs "vrij onheusch" op, willende self den persoon van vrager aannemen, 't welk zijn eerw. als niet passende erinnert wierd." Er zou nog een sessie komen, maar daar daagde Gronouw niet op en daarom liet de Senaat de hele zaak verder maar rusten.

Voor Gronouw kreeg de zaak in zoverre nog een staartje dat er "verscheidene gerugten" over hem rondgingen waarin zijn persoon en ambtsbediening er minder goed afkwamen. Daarom vond de Zuidwoldiger kerkeraad het in september "nodig en nuttig" om een verklating op te stellen dat ds. Gronouw zich tijdens zijn gehele periode in Zuidwolde gedroeg "gelijk het een Herder agter zijn kudde betaamt".

Maar ook Haringcarspel zou belasterd worden, uiteraard door zijn eigen ideologische tegenstanders. Over hem circuleerde er in 1744 een paskwil in studentenkringen, dat ettelijke keren gecopieerd werd, Uiteindelijk zou de studenten-aanvoerde ook geen glanzende carrière maken. In 1747 werd hij adjunct-predikant in Loenen aan de Vecht, een typische proponentengemeente. Na de dood van de eerste predikant volgde hij die op. Nog tot zijn emeritaat in 1784 bleef hij in Loenen staan.

donderdag 16 april 2009

HANEBIJTERSGANG

Vhoytema_1904

Ik was toch even aan het twijfelen gebracht.

In het verhaal over 't Oude Bosch, laatst, bracht ik de Hanebijtersgang in verband met de hanegevechten die nog omstreeks 1870 plaatsvonden op de naburige stadswal. In mijn achterhoofd zat namelijk nog de verklaring voor hanebijterij als hanengevecht, al wist ik op dat moment niet meer waar ik dat ook alweer vandaan had.

Door de stadsatlas van Schroor kwam ik op het idee om een grote scan te bestellen van een kaart die gemaakt is op basis van de oudste Groninger kadastergegevens. Dankzij die kaart zag ik dat de huidige Ubbo Emmiusstraat tussen het Groninger Museum en het Zuiderdiep de erfopvolger is van die Hanebijtersgang. De hanegevechten vonden dus zo'n beetje plaats op de plek van het Groninger Museum, was mijn conclusie.

Maar op de Wikipedia-pagina met Groninger straatnamen staat dat 'hoanebieter' Gronings is voor havik of bruine kiekendief. "De gang is mogelijk destijds genoemd naar uithangteken met een roofvogel", zegt deze pagina.

Inderdaad wordt een kiekendief (of riethavik) in het Gronings en het Fries hoanebieter genoemd. Alleen kwam ik een dergelijk uithangbord nooit tegen in bronnen uit de tijd dat de desbetreffende steeg de naam Hanebijtersgang droeg (ca. 1660 - 1875).

Bij verdere naspeuringen bleek er bovendien nôg een mogelijke verklaring. Volgens een stukje in de Leeuwarder Courant van 25 augustus 1909 is een hoannebijter namelijk een man die bij het koolzaaddorsen "het uitgedorschte stroo op een hoop brengt". Een "stroodrager" dus. Misschien woonden er ooit dergelijke lieden in de Hanebijtersgang?

Vanavond herinnerde ik me eindelijk weer waar ik mijn eigen verklaring vandaan haalde: uit een proces-dossier van 1761, waarin sprake is van een "Sociëteit van de Hanebijterie". Het gaat in dit geval om een hanengevecht in een herberg de Toren van Babel aan de Laan, een evenement dat zelfs door hoge heren wordt bijgewoond.

Ik denk dat ik toch maar vasthou aan mijn eerste naamsverklaring.

woensdag 15 april 2009

KLEE IN DE KLUSHAVEN

20090412_040_klee_in_ijzer

CANON LEGT STAD EN LANDE GEEN WINDEIEREN

Van de Canon van Groningen, die vorig jaar 8 mei verscheen, zijn nu bijna drie drukken met een totale oplage van 7000 exemplaren verkocht. Dat is een onwaarschijnlijke hoeveelheid voor een regionaal-historische publicatie in de provincie Groningen.

"We hebben nog een paar doosjes staan", vertelde vanavond Eddy de Jonge, de voorzitter van de historische vereniging Stad & Lande. "We houden nog een ijzeren voorraad aan van tien, vijftien exemplaren, maar een vierde druk komt er waarschijnlijk niet."

In haar jaarverslag noemt Stad & Lande de Canon een "enorm succes". Dat blijkt ook wel uit de staat van baten en lasten over 2008. Die 7000 Canons kostten de club bijna 19.000 euro. Ruim 37.000 euro was voorlopig de opbrengst. De tussenliggende 18.000 euro ging naar de bestemde reserve. "Daar gaan we bijzondere dingen mee doen", aldus penningmeester Henk Boels. "Het is erg prettig voor een vereniging om wat meer vlees op de botten te hebben".

dinsdag 14 april 2009

KORNELIS TER LAAN IN HET MAURITSHUIS

Stier_van_potter

"‘t Eerste wat wie deden was ‘t Mauritshuis. De Ontleedkundige Les, ‘t Petret van Michiel; wie wörren der stil van. Moar ‘t allermooiste was toch de Stier van Potter. Doar hebben wie wel n ketaaier stil veur op baank zeten: zo leventeg, allerdeegs de kikker leek net of e zo votspringen wol. En de boer leek net op Jan Ziel in Slochter. Moar Jan Ziel mog ook willen, dat e zoon bol haar. Dat zee ik ook. Moar Koerts zee: ‘Och man, din haar e nou ja al laank dood west.’ "

Op 11 augustus 1890 ging Kornelis ter Laan, later de grote voorman van de Groninger beweging, naar Den Haag om examen te doen voor zijn onderwijs-acte Duits. Met een paar streekgenoten die hetzelfde examen deden, bezocht hij toen ook het Mauritshuis. Bovenstaand citaat komt uit een herinnering die hij zestig jaar later opschreef.

Die herinnering haalde ik weer uit een relaas van zijn jongste kleindochter Stip ter Laan. Morgenavond spreekt zij over haar grootvader in RHC de Groninger Archieven. Aanvang 20.00 uur.

VLIEGERFOTO'S WOONSCHEPENHAVEN

KAPturer did it again. Nu liet hij zijn vlieger op boven de woonschepenhaven: slideshow

maandag 13 april 2009

PAASARCADIA

Gezien op het rondje langs Den Horn, Lagemeeden, De Poffert, Oostwold, Lettelbert, Midwolde, Leek, Roderwolde, Peizermade:

20090413_028

20090413_058

20090413_063

20090413_073

20090413_081

20090413_091

20090413_098

20090413_105

MUSICERENDE HAZEN

Uit de iconografie van musicerende hazen blijkt, dat zij zich vooral bepalen tot blaasinstumenten van hout, zoals de schalmei, de klarinet en de hobo:

- Detail romaanse Dom van het Zweedse Lund (met dank aan Groenling):

Lund_cathedral_stalls_detail_muzika

- Uithangbord dat oorspronkelijke - hoe toepasselijk - in de Amsterdamse Hazenstraat hing (Van Lennep & Ter Gouw, II pag. 315), Omstreeks 1825 was dat nog zo. De voorstelling gold (aangehaald werk pag. 329, 330) als een tegenhanger van den Haagse Apendans en was getuige ettelijke imitaties tamelijk geliefd:

Hazendans_vltgbmp

Inderdaad, de hazen musiceren hier niet zelf, maar ze dansen wel op de tonen van een houtblazer.

Het derde voorbeeld is van de Britse socialiste Beatrice Potter (1892) en komt van BibliOdissey :

Beatrice_potter_museicerende_hazen_

Terwijl het vierde van de hand van Cornelis Jetses is, en komt uit een liedjesbundel voor kinderen die anno 1907 te Groningen verscheen (uiteraard gaat het om 'In een groen groen groen groen knolle knolleland'):

Jetses_worp_j_de_zingende_groningen

EXTRAVAGANTE EIEREN

Gouden_ei_met_dito_koets

Het eerste ei dat de edelsmid Peter Carl Fabergé in 1885 maakte was een paassurprise van tsaar Alexander III voor zijn vrouw. Maria was er zo verrukt van, dat de tsaar voortaan elk jaar zo'n ei bij Fabergé bestelde. Troonsopvolger Nicolaas II zette deze traditie voort tot het revolutiejaar 1917

In totaal maakte Fabergé 69 eieren, ruim eenderde ging dus naar de tsaren en de rest naar andere Russische rijkaards. Vaak bevatten de eieren ingenieuze mechaniekjes en muziekwerkjes. Ze vormen het toppunt van luxe. Op de Russsiche Wikipedia-pagina staan ze bijna allemaal. Trouwens, ook nu worden ze nog steeds gemaakt, getuige deze Californische juwelierspagina.

'WIE EEN BROEDMACHINE HEEFT, KIJKT NIET OP EEN EENDJE'

Voor de oorlog waren er 600.000 eenden in Nederland. Na de oorlog nog maar 11.000. Alle eieren waren nog een hele poos op de bon. Maar in 1947 kwam de zaak weer een beetje op gang, getuige dit filmpje dat de eierverwerking en eendenhouderij in Barneveld e.o. in beeld brengt:

VERZAMELING NESTEN EN EIEREN VAN ONDERSCHEIDENE VOGELS

Kneu_robijn_nest

Aardig om door te bladeren: de honderd platen achterin het vogelnestenboek van Günther & Wirsing (ca. 1780). De namen van de vogels staan er in het Frans en in het Duits bij en dus is een woordenboek geen overbodige luxe.

"OH DAT WAS ZO MOOI ALTIED"

Jantje Brunink-Oosting (geboren in 1896) vertelt over de paasgewoonten van haar jeugd in Valthe (Oost Drenthe). Opnamen uit 1972 van Onder de Groene Linde:

zondag 12 april 2009

WEERGAVE DER LIJDENSWEG

Philippe_de_champaigne_het_gezicht_

De barokke schilder

SPEK-ZONDAG

Spekzondag

Aldus bericht in 1898 de Uffelter correspondent van De Telegraaf waar ik met Palmpasen ook al naar verwees. In de noot bij Witte Donderdag meldde hij dat die aanduiding ook bestond in de provincie Groningen, Goede Vrijdag echter, heette hier Stille Vrijdag.

Omdat er in Uffelte buiten de schoolmeester niemand zal zijn geweest die Amsterdamse pers van kopij voorzag en de verwijzingen naar toestanden in Groningerland ook opvallen in zo'n bericht, denk ik dat de afzender niemand minder was dan Berend Bymholt.

zaterdag 11 april 2009

EEUWFEEST UNIVERSITEIT GAAT NIET DOOR

Eeuwfeest_rug_gaat_niet_door

Het moet een enorme teleurstelling zijn geweest voor de professoren van de Groninger Academie. Via de eerste curator en de rector magnificus kregen ze op 4 juli 1714 te horen dat er geen sprake van een eerste eeuwfeest van hun Academie kon zijn. In de Landdag, de Provinciale Staten, hadden de stadsheren voorgesteld het jubileum op 3 september plechtig te vieren "nae het exempel van andere academiën". Maar de heren van de Ommelanden antwoordden "dat sij daar toe niet veerdigh waren". Wat een hoogtepunt had moeten zijn, werd zo een beklagenswaardig dieptepunt.

En niet het enige, want de Ommelanders lagen tussen 1706 en 1714 al voortdurend dwars bij hoogleraarsbenoemingen. Beide leden van de provincie Stad en Lande hadden evenveel zeggenschap over de Academie, en als een van die leden dwars lag, moest de Academie het bezuren. Door de Ommelander obstructie-politiek nam het aantal hoogleraren af van 9 in 1700 tot slechts 4 in het gemankeerde jubeljaar 1714. Daar zat zelfs geen theoloog meer bij, terwijl godgeleerdheid de bestaansreden van de universiteit was.

Ook het aantal studenten daalde. Nu gebeurde dat overal aan de academies, omdat die een functieverandering ondergingen. Van humanistische algemene vormingscentra, werden het steeds meer instituten waar vakspecialisten kennis op konden doen. Tegelijkertijd beperkten studenten zich steeds meer tot een enkele universiteit, in plaats van rond te reizen door Europa en aan diverse universiteiten hun licht op te steken.

Zoals Pieter Caljé duidelijk maakt, deelde de Groninger academie "op dramatische wijze" in deze trends. Ten eerste was ze altijd meer dan andere universiteiten afhankelijk geweest van buitenlandse studenten. Ten tweede zorgden de conflicten tussen Stad en Lande en het afnemende hooglerarenaantal voor een sterkere terugloop in het studenten-aantal dan elders het geval was. Maar zelfs die verschijnselen moet je volgens Caljé tegen de achtergrond zien van de meer algemene ontwikkelingen. De Ommelander jonkers hadden een algemene academische ontwikkeling nodig, met wat Latijn konden ze heus hun stand wel ophouden, ook al was enige elementaire juridische kennis nooit weg. Diploma's hadden de jonkerszonen in elk geval niet nodig, ook zonder konden ze zich wel redden. Voor de stedelijke elites lag dat anders. Die hechtten wel waarde aan vakspecifieke kennis, vooral voor medici en juristen. Doordat vooral de stedelingen in dit opzicht van de Academie profiteerden, lieten de jonkers er zich juist zo weinig aan gelegen liggen.

vrijdag 10 april 2009

GOEDE VRIJDAG OVERDENKING

Romaans_kruisje_oostwold_oldambt

Romaans kruisje, gevonden in Oostwold (Oldambt).

Ik zat te kijken wat de Wikipedia over Goede Vrijdag schreef, en bedacht dat het nogal een verhaal was.

Zonder dat verhaal was heel veel kunst en cultuur non-existent geweest.

Het zoenoffer-idee is niet zo aan mij besteed. Maar ik ben niet anti-Christelijk. Die Jezus had wel goeie dingen: hij gooide de commercie de tempel uit en snoerde Farizeeërs de mond.

Gij zult het kind niet met het badwater weggooien zeg ik altijd maar. Eigenlijk zou dat het elfde gebod moeten zijn.

EEN MUSKUSRAT BIJ DE HOORNSEDIJK

Muskusrat

Twee Pieterpadlopers stonden op de Hoornsedijk te turen naar iets en hielden me staande: "Meneer, misschien weet u wat dat voor een beest is?" Ze wezen op een stelletje futen, althans dat meende ik eerst, maar ze stelden mijn vizier bij. Daar zat een meter of tien van ons af een knaagdier doodgemoedereerd op een sappig stukje gras te knabbelen. "Is dat een bever?" "Nee, die zitten hier niet, en die zijn ook een stuk groter." Ik gokte dat het om een beverrat of een muskusrat ging, maar als ik thuis google op plaatjes van beide soorten, lijkt het nog het meest op een muskusrat. Ik dacht dat die veel schuwer waren. Let ook eens op die graafhandjes.

donderdag 9 april 2009

DELEN COURANT LEIDT TOT DEGENHOUWEN STUDENT

Couranten_delen_b

Christophorus Nucella kwam als 'Walda Montanus' uit Vaudémont, in Lotharingen, een plaats waar ze waarschijnlijk nog Duits spraken. En David Steinken, Cassell Hassus, uit Kassel in Hessen. Beide schreven zich in mei 1688 in als student aan de Groninger academie. De een deed dat op de 17e van die maand, de ander op de 23ste. Terwijl Steinken rechten ging doen, is van Nucella de studie niet genoteerd, maar hij was zoon van een predikant, en zou zelf in 1705 sterven als dominee van Paramaribo, dus je mag aannemen dat hij theologie studeerde.

Een paar maanden na hun aankomst, in juli en dus "in feriis", hadden de rechts- en de godgeleerde in spe de grootst mogelijke bonje op het Broerplein. Aanleiding was het feit dat ze gezamelijk de courant lazen, om en om, waarbij ieder 2 gulden, of de helft van de totale rekening betaalde.

Volgens de aanklacht die Nucella bij de Senaat deponeerde, wilde Steinken achterstallige couranten van hem hebben, een wens waar Nucella niet meteen aan had voldaan. Toen Nucella uit de Burse kwam, zeg maar de mensa aan de oostkant van het Academiegebouw, had Steinken hem gevraagd waarom hij hem die couranten niet stuurde. Dit verzuim betitelde Steinken als "hontsvotterij". Hetgeen als een ernstige belediging gold, immers een hondsvot was het schaamdeel van een vrouwelijke hond, en hondsvotterij stond voor vergaande beuzelachtigheid. Naar eigen zeggen antwoordde Nucella met een jijbak: "Das ist ein hantsvott der es sagt". Waarop Steinken zijn degen trok, hem ermee sloeg en hem zodoende aan zijn hoofd en - doordat hij de degen greep en Steinken die aantrok - op drie plekken aan zijn hand verwondde.

In de versie van Steinken was Nucella de agressor. Deze zou op hem af zijn gekomen en had hem aan het haar vastgegrepen en geslagen. Hij was bijna achterover in een kelder gedeinsd en om de sterkere Nucella af te weren had hij zich gedwongen gevoeld om zijn degen te trekken. Nucella sloeg het blanke wapen omhoog en was er gewoon in gelopen. Pech gehad.

In eerste instantie vermaande de Senaat beide heren om "voortaan in vrintschap met een ander te leven". Na de vakantie echter, kwam men op de zaak terug, met drie getuigen, alle drie student. Volgens de een hadden zowel Steinken als Nucella elkaar eerst geslagen, maar de andere twee ontkenden dat en bevestigden dat Steinken zijn degen trok zonder dat Nucella hem daartoe provoceerde. De laatste getuige zei dat Steinken Nucella juist uitdaagde om ook zijn degen te trekken. Dat had Nucella geweigerd, en desondanks was Steinken er op los gegaan en had Nucella verwond, voordat deze getuige ze uit elkaar had kunnen halen.

Op basis van de getuigenverklaringen veroordeelde de Senaat Steinken tot een boete van een ducaton (ruim 3 gulden) "in fisco academico" (de universiteitskas). Bovendien moest Steinken "het volle meijsterloon van 't genesen der wonden" van Nucella betalen.

Met die volledige doktersrekening zou het nog wel meevallen. Eind 1688 klaagde de medisch hoogleraar Eyssonius in de Senaat dat chirurgijn Swijghuisen zijn nota wegens dit geval maar niet wilde matigen. De Senaat snoeide de rekening daarom zelf maar terug van 10 tot 5 gulden, "als oordelende hij niet meer verdient te hebben".

woensdag 8 april 2009

EEN AVONDJE IN DE SINT JACOB

Notif_nationes

Laatste oproep van de gezamenlijke Oostfriese, Hollandse en Gelderse collegia aan de studenten Vijch en beide Tibouten met het bevel...

"...dat ghij te samen van stonden af aen, bij ons in St Jacob sijnde sult compareeren en u volgens de wetten submitteren. 't Welk ons eernstelick gebott niet nakomende  sult de straffen daar toe gestelt te verwachten hebben."

Dit voor de ontvangers tamelijk dreigende briefje, daterend van dinsdag 15 februari 1653, herinnerde de Academische Senaat eraan dat de Collegia Nationalia (studentenclubs op basis van herkomst), ondanks alle strenge verboden nog steeds bestonden en dat deze "zuipgenootschappen" ook nog steeds hun vermaledijde groendwang probeerden uit te oefenen. Net als tijdens het oproer van maart 1652 kwamen diverse collegia zelfs weer bij elkaar in de nieuwe Sint Jacob aan de Zwanestraat.

Omdat de Senaat graag wilde weten wie de auteurs van de illegale convocatie waren, liet hij het stadsbestuur Hindrik Harmens, de waard van de Sint Jacob (36), diens vrouw Asseltien (35), hun "maagd" Aeltien (20) en hun knecht Geert Thuis (15) een verhoor afnemen. Dat verhoor vond twee dagen na de bijeenkomst van de studenten plaats. De waard, zijn vrouw en de dienstmeid verklaarden onder ede, daarentegen werd de jonge knecht scherp vermaand om de waarheid te spreken.

De vier bevestigden dat er op de voorlaatste dag Gelderse, Oostfriese en Hollandse studenten in de Sint Jacob waren geweest, "wesende vele in getalle". Hoewel de autoriteiten dachten dat het om een 70, 80 ging,. zwakte herbergier Hindrik Harmens dat af tot ruim 50.

"Vermits sij sterck waeren", gaf hij de studenten de beschikking over drie verschillende kamers. Elke natie kreeg er dus mogelijk één. Naderhand, toen een gedeelte van de studenten alweer weg was, kwam de rest op één zaal of kamer bijeen. Al deze ruimtes bevonden zich op de bovenverdieping, waar de dienstmeid niet kwam. De bediening werd er gedaan door Geert Thuis, die meldde...

"...dat hij getapt heeft als daer geschelt wierde."

Er was dus een bel, waarmee de studenten de ober naar boven konden ontbieden. Het gelag werd een dag eerder bij de waard besteld door de studenten Rijns en Graswinckel. Zij verzochten hem...

"..off sij de groote saell niet mochten hebben om te spreken over 't opbrengen der gelden."

Kennelijk was dit de zaal waar de drie naties naderhand samenkwamen. Met het geld zal de entree van de nieuwelingen bedoeld zijn. Omdat Vijch en de Tibouten niet op kwamen dagen, kregen zij alsnog de convocatie, die dus al snel bij de Senaat belandde.

De herbergier en zijn huisgenoten intussen, kenden buiten Tijns en Graswinckel geen andere namen, ook al zaten er bekende gezichten onder de studenten die "bij wijlen er koomen te drincken". Wie de preses generalis was geweest, wie elk der naties voorzat, wie er zoal het woord voerde, wie er om papier en inkt vroeg, wie er iets schreef, de mensen van Sint Jacob wisten het niet.

De knecht bevestigde dat hij opdracht had gekregen om een brief bij rector Maresius te bezorgen. Naar de senaat eerder hoorde had hij moeten zeggen dat die van Amsterdam kwam, zodat hij er port voor kon vragen. Dat hij dat ook deed gaf Geert toe. Maar een specifieke student had hem die brief niet overhandigd:

"datt de brief op de taeffel heeft gelegen ende om hem geschelt hebbende, sij te saemen geroepen: Brengh die aen mijn heer Maresius huis."

Met elkaar hadden de studenten hem dus de bestel-opdracht gegeven. Weer terug uit de Boteringestraat, meldde hij dat hij de brief besteld had. Hoe hun antwoord luidde, kon hij niet zeggen. Na de brievenbestelling was het gezelschap in elk geval langzamerhand uitgedund, de meeste studenten bleven tot een uur of zeven, andere wat langer. Over de betaling hadden ze bij de Sint Jacob geen klagen, want volgens Geert was het zo

"datt elck sijnen geldt op de taefell heeft geleght..."

en Geerts´ bazin bevestigde dat hij het geld bij gedeelten naar beneden bracht. Alleen op het punt voor hoeveel geld de studenten nu eigenlijk verteerden verschilden de meningen nogal. Volgens de waard hadden degenen die het eerst vertrokken meest voor 10 stuvers verteerd. Dat is de waarde van 1,25 liter wijn of ruim 3 liter bier. Voor degenen die het laatst vertrokken verwees Hindrik Harmens naar zijn knecht Geert, die zei dat ieder voor een halve gulden verteerde. Maar noch de ene, noch de andere raming  spoort met de schatting van herbergiersvrouw Asseltien, die het totale gelag begrootte op slechts een tien à twaalf gulden.

dinsdag 7 april 2009

HET TUCHTHUIJS VOOR DE OOSTERPOORT

Statenkasteel

Het Statenkasteel voor de Oosterpoort moest er namens de Staten-Generaal voor zorgen, dat de stad Groningen netjes een enorme somma aan achterstallige belastingen ging betalen. In 1600 werden tussen de Herepoort en de Steentilbrug de vestingwerken van de stad zelf ontmanteld en toen de nieuwe dwangburcht klaar was, gingen daar alle stedelijke kanonnen en munitie heen. Voortaan bestreek die artillerie de stad zelf en de Hereweg (als belangrijkste verkeersader over land). Pas toen in 1607 de Spanjaarden in het oosten van Overijssel en Gelderland opdrongen en Groningen als vesting onmisbaar bleek, werd de hele zaak weer teruggedraaid.

De noordelijke bastions van de dwangburcht lagen ter hoogte van de huidige Heresingel en Radesingel, het meest westelijke bastion teikte tot vlakbij de huidige Hereweg en het meest oostelijke tot nabij de thans bestaande Meeuwerderweg. Het zuidelijkste bastion reikte bijna tot de huidige Mauritsdwarsstraat, waar omstreeks 1980 bij een verbouwing grote kloostermoppen uit de grond kwamen, die van het Statenkasteel afkomstig zouden kunnen zijn.

Lange tijd is gedacht dat er helemaal geen kaart uit die tijd zelf was van het Statenkasteel. Maar de historisch geograaf Meindert Schroor vond er één en deze staat nu afgedrukt in zijn 'Historische Atlas van Groningen; van esdorp tot moderne kennisstad'. Een prachtboek, dat vandaag uitkwam.

Het bevat bijvoorbeeld ook de kaart, omstreeks 1990 vervaardigd door mensen van de Universiteit van Münster, die de allereerste kadasterkaarten (van ca. 1825) digitaal bewerkten. Hun proeve hing in een zijkamertje van het oude Stadsarchief, maar had ik sinds de fusie met het Rijksarchief tot de Groninger Archieven niet meer gezien:

Krt_uni_munster_b

EEN REKENING UIT DE OUDE SINT JACOB

Nota_sint_jacob_1649_b

Fragment van een nota ondertekend door Hendrick Harmens in (de oude) Sint Jacob, wegens aan de student Sutorius geleverde bieren en wijnen (1649). Sutorius was met de noorderzon vertrokken, vandaar dat we deze rekening in een klad-actenboek van de academische senaat aantreffen.

Aardig aan zo'n rekening is, naast het behoorlijk regelmatige handschrift van de uitbater, dat je de prijzen van de genuttigde alcoholica eraan kunt aflezen. De Hollandse en Bremer bieren deden 3,5 en 5 stuivers de kroes, terwijl de wijnen - rode, Franse, Spaanse, Alsen- en "hogelanse" - meest 10 stuivers de kroes deden (een kroes is 1,25 liter). Alsen zou op de Elzas kunnen slaan, maar ook op alsem. Wat ik onder dat hogelanse moet verstaan is me intussen nog niet helemaal duidelijk.

maandag 6 april 2009

HUISNAAM SOEPHUISSTRAAT

Soepballen_sinds_1991

(Bordje op wat vermoedelijk een corpshuis is,)

BOUMAN, SLAAF BIJ DE MINGO EN SHAWNEE

Uit de 'St. James's Chronicle or the British Evening Post dd 3 mei 1768:

St_jamess_chronicle_or_the_british_ St_jamess_chronicle_or_the_britis_2

zondag 5 april 2009

HAENTIE OP EEN STOKKIE

Bert_en_ik_palmpasen_ca_1960_a

De foto zal (bijna) 50 jaar oud zijn. Mijn anderhalf jaar jongere broertje Bert en ik poseren met onze haenties op stokkies voor de pergola. Ik weet nog dat ik stikjaloers was omdat ik het zijne véél mooier vond dan die van mij. Ook herinner ik me, hoe sterk dat crêpe-papier afgaf in de regen.

Straks is er de optocht. Dan zingen we:

"Haentie op een stokkie
Biet ies van mien brokkie
Biet ies van mien stukkie brood
Anders giet mien haentie dood."

Volgens een Uffelter versie van het liedje, voorkomend in een Telegraaf uit 1898, luidde de laatste regel indertijd nog: 'Morgen is mien haentie dood'. Waarbij ik me afvraag of de haan en de Heiland uit het evangelie niet verschrikkelijk met elkaar zijn verstoethaspeld.

In 1898 werd het palmhaantje meestal dezelfde dag nog soldaat gemaakt. Witbrood was luxe. Maar ook later begon de haan een enkele keer nog wel eens incompleet aan de Palmpasen-optocht. Hier een foto van mijn jongste broers Frank en Peter, omstreeks 1970. De haan van Frank, een beste eter, is al een stukje van zijn staart kwijt:

Palmpasen_ca_1970_b

Dit is achter het huis van mijn grootouders aan de Molenweideweg in Havelte. Kennelijk is de haan van Peter zo zwaar dat mijn vader hem enige fotologistieke ondersteuning moet bieden, Ik denk dat het kiekje door mijn moeder gemaakt is, die had wel vaker last van parallax. Maar het mooie is dat de foto zodoende ook een stukkie van het interieur bij mijn grootouders laat zien. En dan doel ik vooral op de uit het Oldambt overgeleverde pietereulielamp en de drie huwelijksfoto's van de kinderen, die mijn grootvader, vaag zichtbaar achter de linker ruit, trapsgewijs tegen de zijmuur ophing.

zaterdag 4 april 2009

JULIE FOWLIS

Vanavond in het Cultuurcentrum het folkfestivalletje Trad-It. Met o.a. Julie Fowlis:

STOEPKRIJT

Stoepkrijt_1

Het buitenspeelseizoen is in de Oosterpoort begonnen met stoepkrijt. Als met Ankie Ankie van Grunsven wordt bedoeld dan lijken de drie jongedames die het mopje reproduceerden geen al te hoge dunk van haar intelligentie te hebben gehad.

vrijdag 3 april 2009

'SODEMIETER OP, DA'S MIEN KOE'

Veemarkt_luchtfoto

Melle Kuikman (88) reageerde op mijn oproep om verhalen over de veemarkt en de horeca eromheen. Zoals hij zegt: "Ik zat altijd op de veemarkt, ik ben er zowat geboren."

Melle groeide op in de Nieuwstraat, in het gedeelte tussen de Duiker- en de Dijkstraat. Bij zijn ouders kwam ook wel Schaank, die in de jaren twintig nog een poosje een café had bij het pleintje van de Griffestraat. "Toen ik nog een baby was hield mij eens omhoog, boven zijn hoofd", vertelt Melle. "En ik liet toen wat los. zeg maar. Dei jong het mie mazzel geven, zei Schaank altijd tegen mijn moeder."

Nadat Schaank zijn café voor gezien hield, werd hij veekoopman, en dat is hij tot zijn dood toe gebleven, vertelt Melle. "Hij was mijn kameraad en heeft mij grootgebracht op de veemarkt. Ik was wijs met hem, ik was altijd bij hem, ik ben jaren met hem opgetrokken, hij heeft mij de handel geleerd. Toen ik later bij Reinier Muller werkte, was ik niet te houden als het marktdag was, dan moest en zou ik naar de veemarkt. Ik zat altijd op de veemarkt, ik ben er zowat geboren."

Melle wijst erop, dat er ook wat verder van de veemarkt af nog café's waren, wier bestaan samenhing met de veemarkt. Zo hadden de café's Roggen aan de Brink en Topper aan de oostzij van het Winschoterdiep veestallingen. Midden in de Houtzagerstraat was er een café, "dat alleen van de markten op dinsdag leefde". En dan had je café Vos aan de Oosterweg tegenover de Oliemulderstraat. "Daar overnachtten vee-inkopers uit Holland en het buitenland", vertelt Melle "De man schaften ze vaak 20, 25 koeien aan, die dan naar Holland of zo gingen - naar Holland gingen meest vette koeien die droog stonden." Café Vos had twee gedeelten en voorin had je een staande bar waar je een "klein klokkie" kon kopen, al moest je wel blijven staan als je dat opdronk. ""Maar", zegt Melle, "die kooplui dronken echt niet als ze nog moesten handelen, hoor. Voor mijn vader, die melkboer was, bracht ik er 's morgens om kwaer over zevenwel vijf kan melk heen op de fiets. Die melk zat in een busje aan het stuur."

Het belangrijkste café aan de veemarkt zelf was volgens hem café Wichers, alias De Koppel Paarden, op Veemarktstraat 2, vlakbij de Oosterweg. "Daar was hèt verzamelpunt van de kooplui, dat wil zeggen buitenlanders en Hollanders. Er zat een veestalling bij en wat die kooplui kochten werd daar opgeborgen". Eerst moesten dan de koeien die niet droog stonden, en dat waren de meeste, worden leeggemolken. Want melkkoeien werden als ze naar de markt gingen 's ochtends vaak niet gemolken om hun uiers beter uit te laten komen. "Die uiers", aldus Melle, "stonden na verloop van tijd hardstikke gespannen. Daarom waren de koemelksters ook zo gewild. Het ging om een stuk of vier, vijf, zes vrouwen, dat weet ik niet meer precies. Ze maakten onder elkaar wel eens ruzie, dan waren ze aan het bekvechten: Sodemieter op, da's mien koe! Hun melk ging naar de Nijverheid, de zuivelfabriek op de hoek van de Meeuwerderweg en de Van Julsingastraat."

Als de uiers leeg waren, moest het vee op transport. Melle: "Ik spreek nu van toen ik een kwajong was van een jaar of tien, elf, dus rond 1930. Het was een hele beroerde rottijd, de halve Oosterpoort was werkloos. En daar bij Wichers stonden verscheidene werkloze mannen en die mochten de koeien in koppels van drie bij elkaar naar de Verlengde Lodewijkstraat brengen." Aan de andere kant van het spoor bevond zich de laad- en losplaats, waar het vee weer op de trein naar de plaats van bestemming werd gezet. "Daar brachten die werklozen het voor een centeprik heen. Misschien verdienden ze er een kwartje per koppel mee, dat kwam zo een beetje stiekem uit de buutse van de inkoper, want eigenlijk mochten ze niets verdienen. Van dat geld kon zo iemand dan een pakkie sigaretten kopen. Die werklozen vochten er wel om of ze de koeien wegbrengen mochten: Het is mien klant! Vaak gingen ze in een colonne langs de Oosterweg, 's morgens om een uur of 11, en wij stonden er op het schoolplein naar te loeren."

Veemarkt_cees_smit_002

De bekendste aller Groninger veedrijvers heette Douwe. "Een beroepskoedrijver, dat was hij", zegt Melle: "Douwe hoorde bij de veemarkt. Eigenlijk was hij doodsbenauwd voor koeien, dat was ook algemeen bekend. Hij was niet achterlijk, maar geestelijk ook weer niet helemaal zuver. Nee, ik geloof niet dat hij dronk. Dat heb ik nooit gezien."

Melle benadrukt dat er niet alleen koeien, maar ook schapen, varkens en paarden op de veemarkt werden verhandeld, die elk hun eigen stuk van de de veemarkt hadden en soms ook eigen marktdagen. "Stieren, die zette men aook llemaal apart, want als die tussen de koeien in stonden werd het een gekkenspul."

Nauw verbonden aan de schapenmarkt was Levie van Simmeren, die in de wandeling jeude Van Simmeren heette. "Het was een klein old jeudegie", vertelt Melle, "en hij woonde vlakbij ons in een gangetje. Hij merkte op de veemarkt de schapen, hij stipte ze met vloeibare verf aan om te voorkomen dat er ruzie over kwam. Want als er een over het hek sprong, dan zei de ene koopman dat zo'n beest van hem was, terwijl de ander meende dat het van hèm was. Die kooplui hadden daarom zelf ook vaak stiften bij zich. Soms was zo'n schaap dankzij Van Simmeren helemaal rood van boven. De kooplui  betaalden hem voor dat werk."

Op maandag was er altijd een grote lammerenmarkt. Melle herinnert zich dat een voerman Van Slochteren, aan het Winschoterdiep naast Topper, die lammeren met paard en wagen naar de veeverlading bij het spoor vervoerde. "Want lammeren, die zijn niet als schapen te drijven. Wèl als de ouden er bij zijn, maar niet als je ze daar bij weghaalt, dan springen ze alle kanten op."

Melle herinnert zich nog iets van de schapenmarkt, nabij de kop van de Meeuwerderweg: "Daar stond ook het electriciteitshuis en daarbij had je een reparatiewerkplaats voor de tram, met diepe kelders voor herstelwerk en kleine karweitjes." Een meer persoonlijk gemeentelijk aspect van de veemarkt was de marktmeester, in de jaren waar Melle over praat Muda geheten. Hij woonde in het poortgebouw aan de kant van het verbindingskanaal. Hoewel er verhalen zijn over allerlei streken die buurtjongens op de veemarkt uithaalden, was daar volgens Melle in zijn tijd geen sprake van. "We konden tussen de spijlen van de hekken door en speelden vaak op de Veemarkt. Muda had niet veel last van ons. Hij joeg ons wel eens weg, maar liet oogluikend wel wat toe en gaf ons een kans." Beslist en met merkbare stemverheffing: "Nee, we haalden  nooit geen kattekwaad uit."

Wel stond Melle als jongen versteld van iets anders. "De ingang van de schapenmarkt lag precies in het verlengde van de Bontebrug. Daar stond ook een wachthuisje, waar marktgeld geïnd werd voor elk stuk vee. Bovenop dat huisje zat een spreuk: Behandel de dieren met zachtheid, spaart de vogels. Maar als het voorjaar was, dan hoorde je daar knallen. Dan stond er in dat huisje een politieman verdekt opgesteld, en die schoot de kraaien dood die in de hoge bomen op de veemarkt nestelden. Ze vielen zo naar beneden. Dat gebeurde in het Sterrebos ook. Misschien werd het verordonneerd door de gemeente, misschien stond er ook wel een premie op. Maar de combinatie van die spreuk op het huisje - Spaar de vogels! - en het doodschieten van die kraaien was heel vreemd in mijn kinderogen. Dat doodschieten stuitte mij tegen de borst."

Veemarkt_cees_smit_006

De twee onderste foto's zijn in 1965 gemaakt door buurtgenoot Cees Smit. Op de eerste staat Douwe met het gezicht naar de lezer iets links van het midden. Op de tweede bracht Cees het handjeklap of de palmslag in beeld. 

PEDELLENDAG

Landelijke_pedellendag

Naast rokjesdag is het vandaag pedellendag. Zo'n zestig pedellen van Nederlandse en Vlaamse universiteiten ontmoeten elkaar vandaag in een zonovergoten Groningen. Hier poseren zij op de trap van het Academiegebouw, met rector magnificus Frans Zwarts in hun midden. Hij voelt zich vandaag zeer beschermd, immers, de pedel, nu nog steeds ceremoniemeester bij promoties, was vroeger tevens de steun, toeverlaat en sterke arm van de rector.

donderdag 2 april 2009

'DE ZETEL DER MUZEN'

D_meissner_thesaurus_philopoliticus

In het stichtingsplaccaat van de Groninger universiteit, dat dateert van 4 juli 1614 (onze kalender), wordt Groningen een "metropool" genoemd, "door de natuur bestemd om de zetel der Muzen te zijn":

"Want haar aantrekkelijke ligging blijkt onmiddellijk, haar lucht is puur en gezond, haar aanbod van elk soort voedsel overvloedig en gemakkelijk, en de stad is rijk aan passende onderkomens..."

Volgens Zweder von Martels, een neo-latinist aan de RUG, zijn deze woorden afkomstig van Ubbo Emmius, de eerste rector van de Groninger academie. Emmius was wel vaker nogal flatteus over de stad en haar bewoners. Zijn geschrift 'Rerum Frisicarum historia', aldus Von Martels, bevat een opmerkelijke karakteristiek van de Groningers als:

"...vriendelijk, aardig, altijd met hun woordje klaar, inventief, vlijtig, en geïnteresseerd in kunsten en wetenschappen. De Groningers hebben geen lage dunk van zichzelf, en zij eten er goed van. Zij verlangen erg naar macht, waarvoor ze bereid zijn alles te ondernemen en te verduren. Toch houden zij stevig vast aan hun rechten en vrijheid tegenover onderdrukkers. Ze zouden liever alles verdragen, dan zich neer te leggen bij slavernij."

Die laatste opmerking, zegt Von Martels, moet je wel zien in de Friese context. Over het Friesland van Vlie tot Wezer schreef Ubbo Emmius:

"Waarlijk, Friesland is een vrij land met zijn eigen gewoonten. Het zal niet buigen voor de wil van buitenlanders en erkent niemand  als zijn bovengeschikte. Voor hun vrijheid zijn de Friezen bereid te sterven!"

Zweder R.W.M. von Martels - 'Ubbo Emmius, the Eternal Edict and the Academy of Groningen', in: 'Christian Humanism, essays in Honour of Arjo Vanderjagt ', Leiden - Boston, 2009, pag. 399 - 418

JAREN VIADUKT IN FOTO'S

Nu de Meeuwerderweg en de Verlengde Meeuwerderweg eindelijk met een tunnel worden verbonden, en de boel daar onder de Zuidelijke Ringweg flink op de schop gaat, heeft popcentrum het Viadukt de voorbije jaren maar eens met foto's gedocumenteerd. Slideshow.

woensdag 1 april 2009

MILIEUDIENST NEGEERT GROOTSTE ERGERNIS

Het schiet me opeens weer in de zin, wat ik vanochtend in de Folkingestraat zag. Zoals bijna elke dag om even voor negenen kwamen me een borstelwagen en twee vegers van de Milieudienst tegemoet. Ik passeerde deze brigade en wat zag ik vlak achter ze, op een plek waar keurig omheen was geveegd? Een hondedrol van enige substantie. Laten ze die expres liggen of zo? Mag die niet mee in de borstelwagen? De grootste ergernis van Nederlanders houden ze zo wel mooi in stand.

RTV NOORD, WAAR DE WAARHEID WORDT GESMOORD

Vandaag brengt rtv Noord het bericht dat Sotheby's vier schilderijen van Otto Eerelman veilt. Ik plaatste daar deze reactie bij:

"Er komen wel vaker schilderijen van Eerelman onder de hamer en niet alleen bij Sotheby's, maar ook bijvoorbeeld bij Glerum."

Een link heb ik er maar niet bijgevoegd, want daar zijn ze allergisch voor. Maar als je de naam Otto Eerelman door de site van Glerum haalt krijg je wel een waslijst van Eerelmannetjes die daar de afgelopen jaren geveild zijn. Waarom een veiling bij het ene particuliere veilinghuis dan nieuws is en een veiling bij het andere particuliere veilinghuis niet, moet rtv noord maar eens uitleggen. Dat die schilderijen bij Eerelman thuis hebben gehangen is geen argument, want dat hebben ze allemaal.

Mijn reactie was volkomen normaal. Qua fatsoen valt er niets op aan te merken. Toch heeft rtv Noord deze reactie niet geplaatst. Waarschijnlijk waren ze bang dat ze te dom overkomen. Jammer, want door zo'n reactie niet te plaatsen laten ze zien dat ze bang zijn voor de waarheid. Ook toont het hoe manipulatief ze bij die zender zijn.

Enfin, dat was al lang duidelijk. Maar zeg niet dat de openbaarheid gediend is met rtv Noord.

Waarom moet dat leugenachtige censuurzaakje daar eigenlijk nog gesubsideerd worden? De markt kan het zo overnemen zonder dat de gemeenschap er tien miljoen in moet steken. En dan gebeurt het nog beter ook, zonder plagiaat van allerlei nieuws dat eerder in de een of andere krant stond.

Naschrift 5.4:
Die schilderijen zijn nog verschrikkelijke kitsch ook: a, b, c, d